KM_06_66

Aflevering 66 – 26 abadius 4715

We besluiten om weer verder naar het oosten te gaan. Het wordt hier weer grasland. We reizen door naar het oosten, het blijft grasland en we komen de rivier tegen, met een weg ernaast. We zien aan het eind van de weg een klein dorpje, wat in het noorden ligt. En we zetten de reis verder naar het oosten. Het gebied verandert niet, het is nog steeds grasland, met hier en daar oude kampementen. Als we verder trekken naar het noordoosten vinden we weer grasland met nog veel meer kampementen, oude kampementen van Pitax. We veranderen van richting en gaan naar het westen. Het blijft nog steeds grasland. We gaan weer verder naar het westen, het is hier nog wel grasland, maar het gaat over in bos. De rivier gaat van het zuiden naar noordoosten, met een aftakking naar het westen. We zien het dorpje, dit moet Little Town zijn, een boerendorp waar ze vooral wijn maken. We brengen een kort bezoekje aan het dorp. Het valt ons op dat een groot deel van het dorp zwaar gesloopt is. Er is wat ellende gebeurt hier. We spreken met de dorpsleider en horen dat ze niet mee wilden doen met de veldslag van Irovetti en daarom zijn er Wyverns op af gestuurd. Vooral de brouwerij, villa’s van nobelen en het dorpshuis zijn vernietigd. We besluiten om ons rijk snel uit te breiden naar dit dorp en geven geld te geven voor de wederopbouw. Ze zijn blij dat wij langskomen en we krijgen wat aangeboden van de wijn.

We trekken weer verder naar het westen, we gaan het bos weer in. De rivier kronkelt door de bossen heen en gaat naar het noordoosten, en komt even verderop weer tevoorschijn en stroomt naar het noordwesten. Dan gaan we weer verder naar het westen en trekken verder door het bos. En op een gegeven moment horen we wat. Catori scout voorop en ziet dan in de verte wat bomen bewegen en hoort dan ook iets, het lijkt iets Dragon achtig. Rincewind probeert er achter te komen wat het is, maar nee, hij weet het niet. Rincewind en Catori nemen een potion of invissibillity en vliegen die richting op. Ze zien het gevaarte nu, een Linnorm. Dat zijn vleugelloze Dragons, maar ze kunnen wel vliegen. Ze kunnen alles zien dus invissibility helpt niet bij hen. Ze kunnen vrij bewegen. Ze laten een vloek achter op degene die hen verslaat, en ze zijn kwaadaardig. Rincewind en Catori besluiten om het beest met rust te laten. We gaan nu naar het noordoosten en trekken diep het bos in. En we gaan verder naar het oosten. We zien de rivier van het zuidoosten naar het noordoosten lopen, de Whisper river. In het bos hangt een stevige sfeer van arcanature. We gaan verder naar het oosten. Het is nog steeds bosgebied en we zien het riviertje met een lus van en naar het zuiden stromen. Verder naar het oosten wordt het heuvelachtig. Er loopt een riviertje van het zuidwesten naar het noordwesten. We trekken weer door naar het oosten en komen weer in grasland terecht. En weer verder naar het oosten is het nog steeds grasland. We gaan nu naar het noordwesten, het is hier nog grasland maar we zien de heuvels al weer. We gaan door naar het westen. We gaan weer de heuvels in en we zien een riviertje vanuit het westen hier eindigen. We gaan weer verder naar het westen. Het is nog steeds heuvelachtig en we zien het riviertje vanuit het zuidwesten naar het westen trekken, dit is de Pitax river. Het bos wordt al weer zichtbaar.

Ergens langs de rivier zien Rincewind en Catori een heel groot stuk aan doornstruiken. Het lijkt onnatuurlijk veel. Het is vreemd dat het hier groeit. Het leger van Pitax is hier doorheen getrokken, dieren trekken hier doorheen dus dit is wel gek. Als ze dichterbij komen zien ze een klein kampementje in de doornstruiken. Ze halen Rosie en Kyrmanath op, Rosie krijgt een vliegspreuk zodat we er heen kunnen vliegen. We landen midden in het kampement en Rincewind meldt ons aan. Uit een tent stapt een vrouw met twee zwaarden op haar rug. Ze vraagt wie we zijn. Rincewind stelt ons voor. Ze zegt: “Jullie zijn de mensen uit Ellorica. Ik ben Ilora Nuski.” Ze vraagt eerst: “Hoe zit het met Pitax.” We vertellen dat wij Pitax besturen en dat Irovetti dood is. Ze zegt: “Dat is het beste nieuws wat ik gehoord heeft. Ik was leider van een bandieten groepje en later onderdeel van het dievengilde. Maar toen Irovetti de koning werd begon het meer een drugs handel te worden. Mijn groep, de river razors, was een gezellig groepje. Maar onder Irovetti werd het platgedrukt en gesloopt. Ik ben als enige overgebleven. Ik wil wel weer terug naar Pitax.” Rincewind vertelt dat een dievengilde niet bepaald gewaardeerd wordt. Ze probeert uit te leggen dat het georganiseerde dievengilde het ongeorganiseerde deel wel in de hand houdt en dus beter onder controle te houden is. Dan vraagt ze waarom de leiders van Ellorica hier zijn. We vertellen natuurlijk niet de reden waarom, alleen dat we aan het onderzoeken zijn. Ze vertelt dat ze het bos niet in gaat. Daar hangt een vreemde sfeer, een onbehagelijk gevoel. De beesten lopen het bos soms uit. Dit gebeurt eens in de zoveel tijd. We geven haar toestemming om naar Pitax te gaan, behalve Kyrmanath die het niet eens is om een dievengilde te helpen. Ilora gaat er vandoor.

We besluiten om eerst terug te gaan naar Ellorica als Kyrmanath voorstelt om het zwaard te vernietigen. Evindra moet daar antwoord op geven. Evindra vertelt: “Nyrissa is het slachtoffer van dit verhaal. Ze was corrupt en gewelddadig. De oudsten hebben haar bestraft omdat ze een bedreiging vormde. Ze wilde de plaats van de oudsten innemen. Het samenvoegen van de Planes zal zijn om het zwaard terug te vinden. Maar om het geheel te wijten om het zwaard terug te halen is wel erg vreemd. Dus er moet meer aan de hand zijn.” Evindra heeft geen contact met de oudsten. Rincewind vraagt: “Wat gebeurt er als het zwaard vernietigd wordt?” Dat weet Evindra niet, en ook niet of het wel kan. Het is een gematerialiseerd deel van iemands ziel. Wat gebeurt er? Het zijn vreemde entiteiten, de oudsten. We willen graag weten wat er gebeurt als het zwaard vernietigd wordt en wat er gebeurd als de planes verenigd worden. Evindra moet deze vragen bij de Fey stellen, misschien weten die meer. Catori krijgt in haar zweettent een wazig visioen, het gaat over een paar dingen en ze snapt er niets van. Ze ziet iets over een kraai en de andere keer ziet ze een lepel. En zelfs ziet ze een keer de kraai met de lepel wegvliegen. Dan weet ze ook nog dat er een man zat te picknicken en toen kwam de kraai en de lepel tevoorschijn.

We gaan weer terug naar de Glenebon Uplands, naar de plek waar we als eerste deze streek inkwamen. We trekken eerst naar het noordoosten en komen door grasland. Dan reizen we door naar het noordwesten. We gaan weer de bergen in. Catori duikt haar zweettent in en snuift nog een keer en komt weer de kraai tegen en ze ziet ook de lepel. Ze komt iets verder en toch ook weer niet. Het is in het bos en boven de bomen uit ziet ze een kasteel met hele scherpe torens. Rincewind weet zich te herinneren over een boek dat over picknicken gaat. Rincewind besluit om vragen te gaan stellen aan zijn pet. De eerste vraag is: “Moeten we de droom letterlijk nemen?” Het antwoord is: “Ja.” De tweede vraag is: “Komt deze droom van de oudsten?” Nu is het antwoord: “Nee.” En de derde: “Kennen we de man van de picknick?” En ook nu weer een kort maar krachtige ontkenning: “Nee.” We trekken door naar het westen. Dit is weer allemaal heuvelachtig terrein. Die avond begint Catori eerst te scryen, maar ze krijgt geen reactie. Dan duikt ze weer haar zweettent in. Ze focust zich eerst op de kraai. Nu ziet ze de kraai wegvliegen door een groot bos, hij vliegt door een groot hek tussen twee standbeelden van mooie dames. Ergens ziet ze een kasteel. De man zit achter de kraai aan. Dan ziet ze de man een boek dichtslaan.

We gaan naar het noordwesten. Het is hier nog steeds heuvelachtig. En dan gaan we door naar het oosten, we trekken nog steeds door heuvels, er komen hier allemaal geisers in de grond. We gaan verder naar het oosten, het blijft heuvelachtig. We krijgen een bericht vanuit Ellorica dat Evindra wat gevonden heeft. Dus we gaan terug.

Evindra heeft wat rondgevraagd bij haar kennissen en bij wat Fey. “Een Pixi is de Prime World uitgetrapt door volgelingen van Nyrissa. Die vertelde dat Nyrissa bezig is met de werelden samen te voegen om deze nieuwe wereld terug te geven aan de oudsten om zo in een goed blaadje te komen.” Rinceewind gaat op zoek naar een boek over picknick. Hij vraagt overal rond om te kijken of er ergens in een bibliotheek zo’n boek is. In Fort Hooktongue is zowaar een boek te vinden: ‘Zuddiger’s Picknick’. We helen het meteen op. In dat boek staat op elke bladzijde op de linker pagina een tekst en op de rechter pagina een plaatje.

Pagina 1: Deze pagina is leeg op een klein houtsnijwerkje na met daarop een jongeman en een kraai die een picknick delen en een enkele tekstregel die luidt: “Alles wat volgt is waar.”

Pagina 2–3: Ik was aan het picknicken op de eerste dag van de lente toen er een vervelende kraai omlaag vloog en mijn lepel stal.
Zuddiger springt op en neer en zwaait woedend met een zwaard terwijl een kraai het bos in vliegt met een lepel in zijn snavel. De pot met frambozenjam, waarvan Zuddiger een beetje met een lepel op een koekje wilde smeren, ligt verwaarloost op de grond. Op de achtergrond steekt een eng kasteel met mes achtige torens boven de boomtoppen uit.

Pagina 4–5: De vervelende vogel vloog in de bomen en vervolgens door een hek, maar ik volgde hem snel.
Zuddiger rent over een bospad en passeert een enorme ijzeren poort, geflankeerd door ijzeren standbeelden van mooie vrouwen.

Pagina 6–7: Hij vloog over een golvend meer, en de zwarte zwanen schreeuwden woedend naar hem.
Zuddiger rent langs de rand van een meer, het centrum is een draaikolk en waarop verschillende zwarte zwanen drijven.

Pagina 8–9: Ik volgde hem door een tuin en probeerde de lokale vegetatie niet te verstoren.
Zuddiger rent door een tuin met vreemde paddenstoelen en een tapijt van kleine, misvormde, groente achtige wezens die weg van hem kruipen en lopen, de kraai strijkt bovenop een paddenstoel neer en kijkt rond.

Pagina 10–11: Helaas werden enkele van de lokale vegetatie al verstoord.
Zuddiger klimt in een blad-vormige boot op een rivier terwijl een boze vliegende Owlbear de vlucht van kraai onderschept, en dwingt de kleinere vogel om stroomafwaarts weg te draaien. Op de achtergrond lijken twee enorme stenen handen op de top van een klif, een waterval in de rivier beneden te gieten.

Pagina 12–13: Het werd zeer koud en mijn boot vroor vast, dus ik moest de kraai te voet achterna jagen over het kerkhof.
Zuddiger achtervolgt de kraai door een besneeuwd kerkhof, de grafstenen hier zijn drie keer zo hoog als ze zouden moeten zijn. Zijn boot is vast gevroren in een meer op de achtergrond, en de schaduwachtige vorm van een vier-armige reus lijkt vanuit een grote crypte te verrijzen om de achtervolging te bekijken.

Pagina 14–15: Maar de kraai had een oudere broer.
Zuddiger duikt ineen op een grote open plek in het bos met in het midden een grote stenen toren. De kraai zweeft in de buurt van de top en wijst met een vleugeltip omlaag op Zuddiger terwijl de “oudere broer,” een enorme kraai die bovenop de toren zit, omlaag kijkt met boze ogen.

Pagina 16–17: Ik begon me zorgen te maken dat ik mijn picknick niet zou kunnen beëindigen.
De grotere kraai grijpt Zuddiger met zijn klauwen en vliegt over een moeras vol enge wormen die uit het water rijzen om in Zuddiger zijn voeten te bijten. De kleinere kraai fladdert achter de grotere vogel aan, de lepel nog in zijn snavel geklemd.

Pagina 18–19: Gelukkig, landde ik op iets zachts.
De gigantische vogel en de kraai vliegen lachend de lucht in, als Zuddiger, net gevallen, op de buik landt van een bijzonder afschuwelijke Trol. Op de achtergrond staat een ijzeren kooi in de vorm van een bijenkorf, uit welke tientallen glimlachende maar lichaamloze gezichten neerschijnen.

Pagina 20–21: En ik ben, gelukkig natuurlijk, sneller en slimmer dan een dwaze oude Trol.
Zuddiger sluipt omlaag naar een bospad, de boze Trol is ver achterop. De Trol draagt een grote ranseur en kijkt om zich heen bij een scheef huis als hij op zoek is naar Zuddiger tussen de tientallen misvormde daken van het huis.

Pagina 22–23: Maar ik heb nog steeds mijn lepel niet.
Zuddiger dwaalt verloren over een open plek in het bos, gevuld met standbeelden. Op de achtergrond is een hoge toren zichtbaar op een ronde heuvel.

Pagina 24–25: Zoals later bleek, ook die vervelende kraai niet!
Een opgetogen Zuddiger vindt de kraai gevangen door een prachtige vrouw – ze houdt de lepel in de ene hand en een bange kraai in de andere. Op de achtergrond doemt een vreemd huis op een eiland op.

Pagina 26–27: Ik verruilde mijn zwaard voor een lepel en een vogel.
De nu lachende vrouw geeft een grijnzende Zuddiger de lepel en de kraai en accepteert zijn zwaard als een geschenk.

Pagina 28–29: En was op tijd thuis voor het diner.
Zuddiger, met de lepel in de ene hand en de vastgebonden kraai weggestopt onder een arm, loopt via een ander bos pad, waar hij aan het einde zijn picknick mand, deken en frambozenjam geduldig op de open plek ziet staan.

Pagina 30–31: Het was de beste picknick ooit.
Zuddiger gaat zitten met een picknick maaltijd van frambozenjam terwijl een heerlijk uitziende kraai geroosterd wordt boven een open vuur.

Pagina 32: De laatste pagina van het boek is een gekleurde, handgeschilderde kaart van Thousandbreaths.