KM_04_50

Aflevering 50 – 13 erastus 4714

We gaan nu naar de kamer met de huid ervoor. Lorelei gaat weer voorop. Ze ziet een smalle gang, die langzaam omhoog loopt, het plafond is laag en er staan allemaal kisten op de grond. Er hangt wat magie om de kisten heen. In een van de kisten zit een klein kruikje met magische vloeistof. Er zitten drie dosis of swimming in. Tevens we vinden een harp of charming en 1.000 gp aan edelstenen, 10 gouden armbanden en een kist met gouden balken er in, er zit een zegel op de kist. Het is een zegel van Taldan, een duister huis. En dan vinden we aan de achterkant van de ruimte een rotspartij. Deze lijkt wel magisch, het zijn geen echte rotsen. Lorelei gelooft het eerst niet maar gaat dan door de stenen heen. Ze komt in een lange tunnel terecht. Als we tien minuten gelopen hebben er nog geen eind aan. We gaan door en lopen nog zeker anderhalf uur door. De gang lijkt nu wat breder te worden. En we staan nu vrij snel in een grote grot. Er lopen wat Boggard sporen, sommige vers en sommige wat ouder. We lopen voorzichtig de grot in. En dan horen we een stem in de een of andere taal. Rincewind ontdekt dat dit Abyssal is en hij verstaat het: “Heh, die Boggard heeft eindelijk wat lekkers te eten gebracht.” Lorelei kijkt eens waar ze het geluid vandaan hoort komen. Ze ziet een grote Snake, maar het beest heeft een Human hoofd. Rincewind hoort nog: “Ha lekker, we grijpen haar.” Dan komt er van de andere kant nog een Snake achtige aan. Lorelei hoort wat in haar hoofd maar ze heeft er geen last van. Het zijn Snakes, zwart met donkerode vlekken en een evil vrouwengezicht. Maar het gevecht is weer kort en Lorelei beëindigt het. We onderzoeken de twee beesten, het zijn Spirit Naga’s. We vinden twee headbands of mental powers. We vinden nog voor 12.000 gp aan gems. Lorelei gaat verderop een gang in en komt al vrij snel weer in de buitenlucht terecht. We komen erachter dat we een stukje naar het zuiden gekomen zijn.

We gaan weer verder met onderzoeken en gaan naar het zuidoosten. Het eerst wat we tegenkomen is moerasland. Er valt hier niets bijzonders te ontdekken. We trekken door naar het westen. Ook hier is het weer moerasachtig. We gaan weer verder naar het westen, het wordt al weer droger. Nog weer verder naar het westen wordt het grasland. En dan gaan we naar het noordwesten. Het is hier ook weer grasland. Dan vertrekken we naar het noord oosten. Het is hier weer grasland. Er loopt een rivier van het noordoosten naar het noordwesten. We trekken verder naar het noordwesten. Het wordt hier weer heuvelachtig. We trekken door naar het westen, en komen weer in grasland. En dan gaan we door naar het zuidoosten. Het wordt weer heuvelachtig. En we trekken verder door naar het zuidwesten. Er liggen hier weer graslanden. Dan gaan we naar het zuidoosten. Ook hier liggen weer grasvlaktes. We zien hier en grote kudde Horses.  We hebben het erover wat we met deze Horses kunnen doen. Een van de Horses heeft duidelijk de leiding en hij houdt ons in de gaten. Rincewind graaft eens in zijn geheugen, zijn dit Windchasers? Dit moeten ze haast wel zijn. We weten dat Jennovieve Kensen op zoek is naar Windchasers, maar Catori wil de Horses hun vrijheid laten behouden. Het ene Horse houdt ons nog steeds in de gaten. Hij lijkt zich bewuster van de situatie.  Hij komt wat dichterbij. Hij zegt: “Vriend.” Rincewind gaat met hem in discussie. Hij zegt: “Ik ben Windchaser en dit is mijn kudde. Er zijn jagers die op ons jagen. Daar gaan we voor uit de weg.” Hij loopt terug naar zijn kudde. Hij blijft ons in de gaten houden. We besluiten de Horses met rust te laten omdat ze een vorm van intelligentie hebben. En we trekken weer door naar het zuidwesten. Weer komen we op graslanden. En dan komen we in het zuidoosten, waar ook het grasland welig tiert. Dan gaan we naar het noordoosten, ook hier is alles grasland. Doortrekkend naar het zuidoosten komen we weer in grasland. We zien de tweede dag een groep vluchtelingen. Het is een groep van twintig man en er zitten gewonden tussen. We delen wat voorraden uit en we genezen de gewonden. Het lijken handelaren, priesters en bards. “We zijn op weg naar Ellorica, want in Pitax is het slecht. Maar we lopen nu tegen het moeras aan. We zijn in het oosten tegen een veelkoppig monster aangelopen wat ons heeft aangevallen.” Het is een priester van Hanspur die tegen ons praat. Rincewind vertelt dat wij ook wel eens in Ellorica zijn geweest. Hij vertelt dat het het centrum van de wereld is. Rincewind vertelt ze hoe ze moeten reizen. Via Fort Hooktongue naar Tatzlford en dan naar Ellorica. De priester vertelt nog: “We zijn gelukkig geen bandieten tegengekomen.” De groep trekt verder, maar niet voordat ze vragen wie wij zijn. Catori antwoordt met haar naam waarna de rest van de groep dat ook doet, zonder verdere titels of belang binnen Ellorica aan te geven. Wel geven we ze wat magische healing potions mee en een necklace of fireballs ter bescherming. Wij gaan verder naar het noordoosten waar het moerasgebied is.

We trekken nu weer naar het zuidoosten. We zijn hier wat op onze hoede. En we doorzoeken het gebied voorzichtig, het is weer moerasgebied. Dan zien we een poel met afgekloven lijken ernaast. Hier moet het beest wel inliggen. Rincewind roept wat Turtles op om in de poel rond te dartelen, maar na verloop van tijd verdwijnen ze zonder dat het monster tevoorschijn komt. Catori laat een aantal bliksemballen door het water gaan en dan zien we een kop happen naar een bliksembal. Dan laat Rincewind het water verdampen. We zien nu heel veel drek en heel veel vis op het droge en we zien het beest, een Hydra met veertien koppen, op de bodem. We duiken op het beest af. De Hydra duikt onder de grond zijn hol in. Maar het beest krijgt een paar flinke klappen en Kyrmanath maakt hem af. Kyrmanath haalt wat vlees van het beest.