KM_03_26

Aflevering 26 – 2 lamashan 4712

We lopen het kasteel uit met toch wel een gevoel van bevrediging. We hebben wat goede tips gekregen en we denken dat we er wel wat mee kunnen om het bestuur over Ellorica te verbeteren. We gaan nog even Restov in en maken er een feestje van. We blijven in een inn overnachten. De volgende dag trekken we er op uit, maar Lorelei wil eerst nog even in Restov kijken of er een magiër is die over haar boog een illusie kan leggen. Ze gaat naar een tempel en vraagt of een cleric een spreuk over haar boog kan casten. Ze krijgt een scroll mee, waarmee ze haar boog vier uur kan veranderen in een Dwergen boog. Hierna kunnen we op weg. We gaan naar het zuidoosten en kijken eens bij de begraafplaats van de Centaurs. We komen nu door de graslanden van het Dunsward. We doorzoeken het gebied en na een dag onderweg te zijn zien we twee tot drie meter hoge gestapelde stenen. Veel van die heuvels van stenen zijn met bogen verbonden. Er staan een stuk of dertig van die stapels bij elkaar. Lorelei ziet wat beesten tussen de stapels door lopen. Ze sluipt wat dichterbij en kijkt nog eens. Ze ziet een paar Manticores rondlopen. Ze komt terug en licht ons in. We sluipen wat dichterbij, maar dan worden we toch gezien. We zien de stapels met stenen en achter een van de stapels zien we een Manticore staan. Er komt een lading staartnaalden onze kant op geschoten. En even later zien we nog twee Manticores staan. Rincewind teleporteert zichzelf met Kyrmanath en Cheveyo dichterbij. Kyrmanath raakt een Manticore flink die op zijn beurt de lucht in vliegt buiten bereik van het zwaard van Kyrmanath. Ze roept nog: “Bijt me maar, neem me maar in je bek.” En ze hoopt hem zo te raken. Maar het beest blijft buiten bereik van het zwaard. Cheveyo bespringt een andere en scheurt hem in een korte tijd aan stukken. Als er twee Manticores dood zijn vlucht de laatste zwaar gewond weg, maar Lorelei weet hem uit de lucht te schieten. Rincewind verzamelt de staartnaalden, het zijn er ruim genoeg voor onze opdracht. Kyrmanath verzamelt wat vlees. Rincewind kijkt nog eens tussen de stapels stenen en hij vindt een soort van hol. Hij spreekt een detect magic uit en hij ziet een klein aura hangen. Hij vindt een ring en wat juwelen en goudstukken ter waarde van 7.000 gp. De ring is een ring of evasion, die gaat naar Lorelei. We bekijken de grafheuvels nog eens goed. Maar we zien er niet veel bijzonders aan. Dit is duidelijk de begraafplaats van Centaurs, maar waarom de heuvels onderling verbonden zijn met bogen weten we niet. We gaan verder richting het westen. We komen in een uitgestrekt grasland. Op een gegeven moment valt het Lorelei op bij bijna elke boom die we zien dat er altijd een vogel opzit. En het is iedere keer dezelfde vogel, een grote zwarte Raven. Rincewind denkt er eens over na, we hebben wel meer vogels gezien in Varnholt, maar als het iedere keer dezelfde is, is dit toch wel opmerkelijk. Maar veel meer kan hij er niet over zeggen. En ook Catori weet er niet veel over te vertellen. Ze houdt het eens in de gaten. Maar nee, ze kan er echt niets vreemds aan zien. Rincewind probeert met het beest te communiceren. Het beest laat zich van de tak vallen en vliegt weg. Rincewind kijkt eens waar hij heeft gezeten en kijkt of er magie hangt, dit is niet het geval. Lorelei kijkt ook nog eens in de boom maar ziet ook niets bijzonders.

We trekken door naar het zuidoosten. Het is weer veel grasgebied, een grote vlakte. Lorelei heeft de Raven al een tijdje niet meer gezien. Rincewind gaat weer communiceren met zijn familiar. Hij vraagt: “Zit de entiteit in de Greenbelt?” Het antwoord is: “Nee.” Dan vraagt hij: “Zit de entiteit ten oosten van Varnholt?” Het antwoord is: “Ja.” Als laatste vraagt hij: “Is de entiteit verbonden aan het kamp van de Nomen tribe?” Het antwoord is nu: “Ja, maar net andersom.” Naar aanleiding van dit antwoord besluiten we om rechtstreeks naar het Centaurkamp te gaan. Na anderhalve dag ziet Lorelei een groep Centaurs aankomen, het zijn er een stuk of acht. We wachten tot ze bij ons zijn. Rincewind roept voor de zekerheid een paar Lantern Archons op. Lorelei verbergt haar boog. De Centaurs komen snel dichterbij, ze zien er nogal agressief uit maar ze vallen niet aan. Lorelei steekt haar hand omhoog. Ze komen om ons heen staan. Het zijn allemaal vrouwelijke Centaurs. Rincewind zegt dat hij hun aanvoerder wil spreken. Ze praten wat gebrekkig Common en wisselen dat af met Sylvan. Rincewind begint dan in het Sylvan en herhaalt zijn vraag. Dan stapt er een vrouw naar voren. Ze zegt nors: “Huh tweebeners, meekomen naar de clan.” Rincewind probeert nog eens met ze te praten. Maar het antwoord van de dame is: “Nee tweepoters, meekomen.” Dat doen we dan maar vrijwillig.

We worden geëscorteerd door de dames naar het Nomen kamp. Als de avond valt wordt er een kamp opgeslagen voor de nacht. Rincewind vertelt hoe wij een kamp opzetten en laat het zien, zodat ze niet schrikken als onze magische tent verschijnt. Lorelei discussieert nog wanneer ze de scroll gebruiken moet. De Centaurs laten blijken dat ze wel blij zijn daar we vrijwillig met hun meegaan. Rincewind observeert de Centaurs eens, zijn ze werkelijk vijandig en hoe is hun reactie op ons? Hij merkt op dat we op hun terrein zijn en hun zijn hierover niet op de hoogte gebracht. Het stamhoofd moet hier een uitspraak over doen of we toestemming hebben om op hun terrein te zijn. Ze hebben wel ontzag voor ons, we zijn een krachtige groep. Rincewind probeert nog eens een gesprek aan te gaan, maar met de gewone Centaurs lukt dat niet. En met de leidster van de groep moet hij toch wel een goed onderwerp hebben om over te praten. Hij probeert het met het verhaal over de Manticores op de begraafplaats. Ze stelt op prijs wat we daar gedaan hebben en begint met hem te praten. Hij vraagt wat er morgen gaat gebeuren. Ze vertelt: “Jullie worden aan onze warpriestess voorgeleid omdat jullie in onze gebieden rondlopen.” Het zijn nog wel gesloten antwoorden die ze geeft. Hij doet nog een poging en vertelt nog wat een aantal dingen en hij wordt erkent als iemand die geen kwaad in zin is. Ze wil ons nog wel graag meenemen. Rincewind doet een voorstel om naast elkaar te lopen. Dat vindt ze goed. Ze stelt zich voor als Xigone en ze vertelt: “Onze clan bestaat uit 200 Centaurs, voornamelijk vrouwen. De vrouwen zijn de krijgers. Er zijn ook wat mannen maar die doen het mindere werk. Het is mij de laatste tijd opgevallen dat de warpriestess wat huiverig, terughoudend is. Dit heeft ze sinds een paar weken.” Rincewind vraagt of er ook anderen bij haar clan geweest zijn. “Andere tweebeners?” vraagt ze: “Nee, maar die Spriggans zijn wel eens bij ons geweest. Maar sinds ze de magische boog van de stam hebben gestolen mogen ze niet meer komen.” Ze omschrijft de boog en vertelt verder: “De boog is belangrijk voor de warpriestess. Maar haar veranderde houding gebeurde pas na de verdwijning van de boog. De warpriestess heet Aecora Silverfire.” Rincewind vraagt of er nog wat vreemds is gebeurd maar ze zegt dat hij daarover maar met Aecora moet praten. Dan vertelt hij dat er wat vreemds met Varnholt is gebeurd. Xigone  zegt: “Dat is mij bekent, maar ik kan er niets over zeggen. Vraag het maar aan Aecora.” Rincewind vertelt aan de groep wat hij gehoord heeft, en hij kijkt eens naar Lorelei. Maar die roept: “Nee, het is mijn boog.” Na een lang gesprek is Lorelei wel bereid om de boog af te geven als er een goed verhaal over vertelt wordt maar anders echt niet. Rincewind en Kymanath vinden dat ze de boog wel moet geven, Catori is uiteindelijk van mening dat de boog van Lorelei is en dat het dus haar keuze is. We komen er niet uit en dus gaan we maar slapen.

We worden de volgende morgen fris wakker. De meeste Centaurs zijn ook wakker. Xigone geeft aan: “We gaan weer.” Het gaat nu veel gemoedelijker als de dag ervoor. We gaan op weg naar het kamp. Sommige Centaurs proberen nu toch ook te communiceren en ze worden wat nieuwsgieriger naar de tweebeners. Na een paar uur rijden zien we het kamp. Lorelei zoekt een plekje om de scroll te gebruiken. Het is nog ongeveer twee uur rijden naar het kamp. We worden het kamp in gebracht. De Centaurs in het kamp kijken vol verwondering naar de groep. We worden naar Aecora gebracht. We gaan de tent binnen. Eerst lopen we door een voortent en komen dan in de hoofdtent. We zien een vrouwelijke Centaur. Ze is bezig met een ritueel boven een groot vuur. Na een paar minuten kijkt ze op uit haar ritueel en komt ze onze kant op. Ze lijkt nors en ook een beetje bleek. Rincewind kijkt eens of er wat met haar aan de hand is. Maar we komen er niet achter wat er met haar aan de hand is, zo te zien heeft ze veel zorgen. Ze begint vrij nors: “Tweebeners, hier.” Maar als ze hoort dat we op goede voet hierheen zijn gegaan trekt ze wat bij. Rincewind begint weer een heel verhaal en dan begint ze een beetje te ontdooien. Dan wil ze ons om advies vragen. Het gaat in het Sylvan en Rincewind zegt dat hij het wel vertaalt naar ons. Dan spreekt zij in het common en wil hierin verder. Ze vertelt eerst over de geschiedenis van de stam, over oorlogen met legers die ons weinig zeggen. Dan heeft ze het over Varnholt en zegt: “Wij zijn er niet voor verantwoordelijk wat daar gebeurt is. Het zijn die Spriggans, die hebben het gedaan.” We vertellen wat we in Varnholt hebben meegemaakt en ze beseft dan dat de Spriggans er niets mee te maken hebben. Rincewind vertelt over zijn meditatie met zijn familiar en vertelt dat we weten dat de bevolking niet meer in leven is maar ze zijn wel geestelijk aanwezig. Ze vraagt dan waarom wij naar hun zijn gekomen. Rincewind legt uit dat we overal zoeken en dit is een van de laatste gebieden waar we nog niet geweest zijn. Ze zegt dan: “Wij hebben nog geen last van die verdwijningen, en ik hoop dat die verdwijningen ook niet naar mijn kamp komt.” Ze begint nu een beetje te hakkelen en ze praat ongemakkelijk. Ze gaat verder: “Ik heb er erg veel last dat mijn dochter verdwenen is. Mijn dochter, Xamanthe, ging naar Olah Kakanket, de Valley of the Dead, een gebied dat wij al heel lang bewaken. Xamanthe wilde daar heel veel van weten. Ik heb haar verboden om daar heen te gaan, Maar dat heeft ze toch gedaan. Dienaren van mijn clan, die daar vanwege de plichten heen gegaan zijn, zijn weer teruggekomen. Maar mijn dochter niet. De dienaren bewaken daar de vallei met de toegang tot de tombe van Vordakai. Een krijgsheer van heel lang geleden. Die plek moet ongeschonden blijven. Waarom? Dat weet ik niet maar het is onze plicht om dit te doen.” Dan begint ze weer over haar dochter: “Willen jullie hier onderzoek naar doen. Wij mogen de vallei niet in. En meer weet ik ook niet, en zeker niet wie en hoe Vordakai is. Ik wil gewoon mijn dochter terug.” Dan vraagt Rincewind nog naar de boog. Ze vertelt: “Die Spriggans hebben de boog van de stam gestolen, het familiewapen van de stam. Ik wil hem graag terug hebben. Maar als ik mijn dochter er voor teugkrijg wil ik hem graag afstaan.” Twee personen kijken in de richting van Lorelei, maar die kijkt star voor haar uit. Ze vertelt waar de vallei is. Ze vertelt nog: “De laatste keer dat er twee druïdes naar de vallei gegaan zijn hebben ze er een groot wezen gezien, een tweebener.”
Catori vraagt nog naar de Silver Dragon. Ze zegt: “Ten zuidoosten van de vallei is een hol. Daar moet het beest ooit gezeten hebben. Mijn voorouders hebben de Silver Dragon nog gezien, maar daarna heeft niemand de Dragon meer gezien.” Ze wil heel graag haar dochter terug hebben, maar ze heeft niet veel te bieden: “Ik heb nog wel wat potions. Als jullie ook maar een aandenken aan mijn dochter terugbrengen ben ik jullie eeuwig dankbaar. Jullie, tweebeners, zijn ook wel meer avontuurlijker als Centaurs.” Rincewind wil de potions niet aannemen en kijkt daarbij nadrukkelijk naar Lorelei. Aecora zegt nog: “Zoek naar de vinger die uit het water steekt.” Rincewind gaat nog even met Lorelei in gesprek, maar dat heeft geen succes.

We vertrekken bij de stam. We worden door de leidster, Xigone, buiten het kamp gebracht. Xigone wenst ons veel succes en zegt nog even lachend: “Ik heb geen opdracht gekregen om jullie af te maken, dus jullie kunnen gaan.” We nemen de kortste weg naar de Valley of the Dead. Het is drie dagen reizen. We maken ons op de derde dag klaar om verder te reizen als er van achter een steen een schaduw te voorschijn komt en meteen Kyrmanath omhelst, alsof hij weet wie hij moet hebben. Hij ziet er inktzwart uit en heeft moorddadige klauwen. Het is een Soul Eater, dit soort wezens worden opgeroepen door een persoon en vinden hun slachtoffer door magie. De Soul Eater is echt gefocust op Kyrmanath en hij weet bij haar wat weg te zuigen. Het gevecht verloopt ook een beetje chaotisch maar een door Rincewind opgeroepen Rhinoceros weet de Soul Eater te doden. Catori weet Kyrmanath na het gevecht weer op te lappen.

We gaan weer verder naar de Valley of the Dead. Lorelei kijkt eens om zich heen of er nog zo’n creatuur is maar nee, ze ziet niets. De volgende avond gaat Catori nog wat roken. Ze wil wat in contact komen met de Unicorn, maar dat lukt niet erg. En na een uurtje lopen komen we in de Valley of the Dead. Het is een vallei tussen twee bergketens in. We zien een rij van paaltjes met een schedel erop, ze staan twintig meter uit elkaar. We lopen door en we gaan rustig verder. Als we verder gaan krijgen we een drukkend gevoel. De wind wordt wat minder, de vogels vallen stil. Er zitten scheuren in de aarde. Na ongeveer twee kilometer in de vallei zien we een grafsteen, en verderop zijn er nog meer. Lorelei ziet veel stenen in de verte. De eerste steen is vrij groot, en de andere lijken ook vrij groot, twee tot drie meter hoog. We weten niet waarvan ze zijn. We gaan verder, we zien honderden van die stenen. Rincewind kijkt eens bij een steen of hij er wat op ziet staan, hij ziet vreemde runen. Hij wil eens kijken of hij de runen kan vertalen, het is Cyclops. Het moeten allemaal namen zijn. Hij kijkt eens wat hij weet van Cyclops. Het is hem niet bekend waarom er hier Cyclops zitten. Hij weet wel dat Cyclops vrij groot zijn en ze hebben een oog. Ze zijn groot en woest en hebben een bijl. Met hun ene oog kunnen ze een inzicht krijgen als zijnde een soort toekomst voorspelling. We lopen weer door, het zijn tenslotte maar oude graven. Er hangt een onheilspellend aura over de vallei. Na een paar kilometer komen we bij een kom in de vallei en in het westen zien we een scheur in de bergmuur. We gaan die richting uit.